Veel commotie deze week over de nobelprijs voor de vrede. Door het committee van wijzen toegekend aan Obama. En daarmee definitief verworden tot een aanmoedigingsprijs. Bijzonder, want als natuurwetenschapper mag je van geluk spreken als je nog meemaakt dat een vinding 50 jaar na dato bekroond wordt. Het committee beschikt kennelijk over een kristallen bol, waarin het de toekomstige bovenmensenlijke verrichtingen van Obama op het gebied van de vredesbevordering ver van tevoren heeft kunnen waarnemen. Dat is alsof je bij de openingsceremonie van de Olympische Spelen alvast de medailles uitreikt. Wat zou dat betekenen voor de kwaliteit van de wedstrijden? Worden die slechter – het gaat nergens meer om, of juist beter – noblesse oblige en de verliezers challengen de suprematie van de winnaar? Interessante gedachte, maar hij leidt af van waar ik heen wil.
Alleen wie oorlog voert kan vrede stichten
Het klinkt misschien gek, maar het is wel zo. Om met gevaar voor eigen leven mensen uit een brandend huis te halen, is het wel nodig dat er een huis brandt met mensen erin. Om levensreddende operaties zoals harttransplantaties uit te voeren moet er wel eerst iemand doodziek zijn. En om vrede te kunnen stichten moet er oorlog worden gevoerd. Toegegeven, de brandweerman heeft het vuur meestal niet eerst zelf aangestoken en de chirurg heeft ook niet het hartfalen van de patiènt veroorzaakt. Maar bij kwesties van oorlog en vrede ligt dat meestal iets anders. Oorlog is een vuur dat voortdurend aangestoken wordt, of in ieder geval nieuwe brandstof krijgt, anders zou het vanzelf doven. Het is een ziekte waarbij er voordurend nieuwe bacteriën toegediend moeten worden, anders geneest de patient vanzelf. En hoe je ook staat te blussen of hoeveel harten je ook transplanteert, het vuur gaat niet uit, de patiënt wordt niet beter, zolang je die toevoer niet afsnijdt.
Bij oorlog is het vrede stichten voorbehouden aan de pyromaan, de ziekteverwekker, de oorlogvoerder zelf. Raar dat dan dat moment waarop er – vaak omdat er op het slagveld niets meer te winnen is, of het thuisfront niet langer levens beschikbaar wil stellen – eindelijk vredesonderhandelingen worden gestart, wordt aangegrepen om de gestes van de oorlogvoerders te waarderen met een vredesprijs. Er wordt alleen maar onderhandeld omdat de oorlog niet gewonnen kan worden. De Romeinen gebruikten voor oorlog voeren het woord pacefacere, wat zoveel als vrede maken betekent. Dat stel ik me zo voor: er is aan de grens wat gekrakeel met een buurvolk en Rome stuurt er een paar legioenen op af om het volkje te onderwerpen en zo de rust te herstellen: vrede maken dus.
Maar zeer zelden zal de vredespijp worden gerookt vanuit een wederzijds begrip voor het feit dat je beter als goede dan als kijvende buur door het leven kunt gaan. Vaak zal een vredesproces het gevolg zijn van een cynische rekensom die aangeeft dat de strijd meer kost dan oplevert.
Maar ook deze gedachte is niet waar ik heen wil.
Genezen is kennelijk beter dan voorkomen
Prijzen worden uitgereikt aan rampenbestrijders, vredesstichters, mensen die – laten we het positief verwoorden- over hun schaduw heen kijken en de strijdbijl begraven. Maar wat gebeurt er met mensen die rampen en oorlogen voorkomen? Als je een kind uit het water redt, ben je een held. Maar als je een kind bij de rand van het water wegtrekt, krijg je dan een lintje? Dacht het niet. Met een beetje pech krijg je een stomp van de bodybuildende vader.
Preventieve acties zijn veel minder prijsfähig dan curatieve acties. Rampen voorkomen is ofwel onzichtbaar, ofwel als vanzelfsprekend aangenomen, ofwel als bemoeiziek betiteld. In alle gevallen loop je weinig risico dat je daarvoor zult worden gehuldigd. Sterker nog, als het toch eens misgaat, wordt lopen diezelfde mensen die je voor bemoeiziek uitmaakten naar je te wijzen dat je het had moeten voorkomen.

Hulde aan de voorkomers
Ik wil hier vandaag een lans breken voor de preventiewerkers, de vrede-in-standhouders, die elke dag, onopgemerkt, met de kans verguisd te worden, en met een groot afbreukrisico, de wereldvrede dienen. Of welk ander gemeenschappelijke belang dan ook. En dat zonder enig publieke beloning in het vooruitzicht. Kijk eens om je heen en zie hoeveel mensen er zonder enig eigenbelang voor zorgen dat en maar weinig helden nodig zijn. Dat zijn de werkelijke nobelen van deze wereld. En ze verdienen het geprezen te worden.